isbn 90-70767-09-0 1989 

  Elke maand zal een gast een selectie uit de gedichten van deze bundel maken.

 

Om de selectie uit 'over leven' te lezen, kunt u op de onderstaande hyperlink klikken.

 

De keuze van de maand van Marjolein Pieks

  

 

 

 

 

 

Nijmeegse stadskrant maart 1990

 

DE FACETTENPOËZIE VAN JUSTINE BORKES

door carola schoor

 

Bestaan ze nog? De dichters die dichten omdat ze niet anders kunnen. Die altijd met een blocnote op zak lopen, voor het geval ze ineens een goede inval hebben. Geen maximaal gebral of wild geschreeuw, maar gewoon schrijven en in eigen beheer uitgeven. Justine Borkes is zo'n dichter. Onlangs gaf ze in samenwerking met Vrouwenboekhandel De Feeks haar vierde bundel 'Over Leven' uit.

 

 

"Verdriet schrijft altijd het beste weg. Het is veel moeilijker om een gedicht te schrijven over wat je blij maakt. Dit is een heel vals gedicht, het is een reactie op die hele vervelende vraag van mensen 'of je nog steeds schrijft'. Alsof je 'zomaar' schrijft. Maar het gedicht is ook wáár: je kunt het niet stoppen. Het is niet iets waarvan je zegt 'Ik zet dit even af'. Je kunt het ook niet áánzetten. Het gebeurt je gewoon.

Het kan mij overal overkomen. Het kan op de fiets zijn. Dan stap ik af en schrijf ik het snel op. Het zijn geen zinnen die je invallen, het zijn meer brokstukken. Ze hebben geen eenduidige betekenis. Op een of andere manier is het een adequate vertaling van waar je op dat moment mee bezig bent. Het vat dit samen maar het overstijgt het ook. Dat is heel wonderlijk. Het komt nooit op het moment dat je het verwacht. Je moet je er voor open stellen om het op te vangen, je antennes gebruiken. Als het komt, schrijf ik het op en kijk ik later wel of het een gedicht is. Op dat moment weet je dat niet, maar je móet het opschrijven. Heel dwangmatig."

 

 

"Mijn gedichten zijn niet specifiek vrouwelijk. Ze zijn algemeen menselijk De eerste bundel heb ik naar verschillende uitgevers gestuurd. Dat was in 1978. Omdat daar telkens 'nee' op kwam, deden vrouwen van De Feeks het voorstel om samen met mij de eerste uitgave te verzorgen. Dat bleek een succes; de eerste oplage van 500 was in een half jaar helemaal uitverkocht. De volgende bundels heb ik in samenwerking met De Feeks, maar wel in eigen beheer uitgegeven.

Met de Nieuwe Wilden, de bekende feministische dichteressen, voel ik me niet zo verwant. Het is zo'n cultus. Door zich zo duidelijk te presenteren bevorderen ze wel de dichterscultuur in Nederland. Ik vind het prima als zij elkaar en ook andere mensen stimuleren om te gaan schrijven. Maar het is zo'n clan die zichzelf de hemel in prijst. Een beetje een eng wereldje. Ik vond het bijvoorbeeld afschuwelijk dat op dat festival met de Maximalen één van de Nieuwe Wilden haar gedichten niet mocht terugtrekken. Sommige van hun gedichten vind ik wel mooi, maar ik heb verder niets met hen. Zij ook niet met mij hoor. Voor mijn gedichten moet je een bepaalde ontvankelijkheid hebben. Op het eerste gezicht lijken het niet eens gedichten. Je denkt gauw: 'Wat moet ik daar nu mee? Iemand zit te fröbelen en nu moet ik het ook nog lezen...?'"

 

"Veel mensen stelen zich bij dit gedicht hun vriend of vriendin voor, maar het gaat over mijn nichtje dat toen drie jaar was. Een korte blije draf, dat is iets van een kind. Toen ik dit tijdens een lezing onthulde, ging er een golf van teleurstelling door de zaal. Ik vind het niet erg dat mensen iets anders in mijn gedichten zien, een geliefde vind ik ook goed. Iedereen betrekt de gedichten toch op zijn eigen situatie. Daarom publiceer ik ook. Als de gedichten alleen op mijn eigen situatie zouden slaan, dan had ik geen enkele reden om deze bundels uit te geven.

Ik reik mensen dingen aan die wel op mijn situatie van toepassing zijn, maar die ook overstijgen. Ik denk dat het de taak van een dichter is om dingen te verwoorden die anderen ook wel voelen maar die ze niet zo onder woorden kunnen brengen. Vóór ik een bundel uitgeef, laat ik hem altijd door een aantal mensen beoordelen. Voor mij zijn ze goed, maar het gaat erom dat ze voor anderen ook goed zijn. Komt het over.

Ik geef een bundel uit omdat ik vind dat als je deze gave hebt, je er ook iets mee moet doen. In onze cultuur gebeurt dat veel te weinig, wij hebben in tegenstelling tot veel warme landen geen dichterscultuur. Het is heel gemakkehjk om veilig te blijven zitten waar je zit, maar ik vind het zo'n armoede. Dichten hoort bij het leven, het is mijn manier van leven.

Het is opvallend dat de vier bundels die ik in de loop van twaalf jaar heb geschreven, allemaal verschillende fasen in een leven weergeven. Sommige mensen houden het meest van de eerste bundel 'Liefde kan samengaan'. Dat is een bundel waar heel veel verdriet in zit. Anderen houden meer van 'Grenzen' of van 'Tijd verhalen'. Het is maar in welke fase van je leven je zit, tot welke bundel je het meest wordt aangetrokken. Maar daarom zijn de bundels ook zo tijdloos. Er komen altijd weer nieuwe mensen die in die fase komen."

 

 

"Als je de dood uit je leven bant dan leef je niet, dan ben je al voortijdig overleden. Maar ik wil daar verder niets over zeggen. De gedichten moeten het doen. Ik denk dat je er de mensen minder plezier mee doet als je je privégedachten bij een gedicht of bundel vertelt. Mensen zijn natuurlijk altijd nieuwsgierig, maar jé loopt het gevaar dat er bepaalde dingen blijven hangen. Een gedicht moet je niet uit een biografie verklaren. Een bundel moet de kracht hebben om uit zichzelf te spreken.

Het is iedere keer weer heel spannend of dat lukt. Hoe krijg ik de bundel op het niveau dat het ook echt een Bundel is, een samenhangend en afgerond. geheel. Ik kreeg zo'n idee van: Vasalis, drie bundels, groter dan de mijne maar toch drie; Nijhoff, drie bundels. Misschien krijg je een vierde bundel gewoon niet voor elkaar. Het thema van de bundel had ik al heel lang, maar er ontbrak de hele tijd nog iets aan."

 

 

"Ik denk dat de meeste gedichten te lang zijn. Het is natuurlijk ook mijn aanleg dat mijn gedichten zo kort zijn. Uit veel gedichten die ik lees, kun je het 'eigenlijke' gedicht halen. Dat zijn maar een paar regels. Daar is omheen geschreven, zeker als mensen rijm gebruiken. Mijn gedichten zijn meer tot de kern teruggebracht. Er is veel in geschrapt.

Ik noem mijn poëzie zelf 'facettenpoëzie'. Ze geeft iedere keer een facet weer van een geheel. Een facet waar op een bepaalde manier het licht op valt, en daarmee is dat facet klaar. Het moment wordt vastgelegd en in het moment overstijgt het zichzelf, het wordt vereeuwigd.".

  

terug

verder