RECENSIES
 
Op 14 februari 2019 schreef Wim van Til onderstaande recensie van mijn in november 2018 verschenen bundel THUIS voor De Auteur het verenigingsblad van de Vlaamse letterkundigen.

 

doe jij het licht aan?

75 kaarsjes maken de taart

Eind november vorig jaar presenteerde Justine Borkes haar twaalfde bundel bij Boekhandel Roelants in Nijmegen, haar thuishaven. Niet toevallig gekozen is de titel van die bundel: thuis. Het lijkt erop dat Justine haar plek gevonden heeft na de omzwervingen die in 1978 begon met ‘liefde kan samengaan’ en die met onregelmatige tussenpozen een tiental bundels opleverden. De eerste bundels verschenen in eigen beheer, sinds 2011 heeft Justine voor haar poëzie onderdak gevonden bij Uitgeverij IJzer te Utrecht.

Voor thuis heeft Justine 75 gedichten geselecteerd, 15 nieuwe en 60 gebloemleesde uit haar eerste acht bundels. Voor de gemakzuchtige maar ook betrokken lezer logischerwijs opgenomen in twee afdelingen, I (de nieuwe) en II (de gekozene). De gedichten zelf zal het waarschijnlijk een zorg zijn in welke afdeling zij zijn ondergebracht, hun consistentie is evident en dat is natuurlijk ook te danken aan de dichter die met deze twaalfde bundel de hechtheid van haar thema’s opnieuw onderschrijft.

Liefde en existentie maar van beide de bron

Van meet af aan draait de poëzie van Justine Borkes om herkenbare thema’s; liefde en het ontbreken ervan, kind-zijn en leven. De dichter observeert zowel de wereld als haar gemoed, de nabijheid en de verte en verwoordt haar bevindingen in korte gedichten, in kordate taal.

 

verborgen in ons

huis van huid en

haar op weg naar

wie weet uit onszelf

waar vandaan

 

Vorm en inhoud doen bij menig gedicht oosters aan, soms lijken de gedichten meer op verwaaide haiku en senryu:

 

blad sierlijk

drijvend een

waterlelie

gekanteld

mijn lichte zwaan

 

of:

 

overal waar ik

kijk zie ik een

gelukkig mens

in de spiegel

 

De bundel is niet thematisch geordend en dat zorgt voor een mooie afwisseling in de stroom (dat mag je toch wel zeggen van 75) gedichten. Hoewel, niet geordend (op de indeling in twee delen na dan), de dichter komt wel steeds “om de hoek” in deze ik-gerichte gedichten. Het is geen hinderlijk “ik”, zoals er ook geen sprake is van een te sterk aanwezige jij. De gedichten zijn evenwichtig en sober, soms lijken ze meer op een aforisme:

het leven gaat zo

scheurend open

 

en

gedichten

antwoorden

op een

weggelaten vraag

 

of

onvoorstelbaar als

de dood het leven

 

Het geheel van de bundel voorkomt dat het daarin doorslaat. Dat komt mede door de rust van de vormgeving; alleen de oneven pagina’s zijn bedrukt, waardoor de nadruk nog meer op dat ene gedicht wordt gelegd. Overigens “ontbreken” de paginanummers die, als zij onder een gedicht zouden bungelen, het evenwicht van het gedicht zouden verstoren.

De bundel thuis leest ook daardoor prettig, niet in het minst door de evenwichtige, sobere stijl die de dichter hanteert. Justine Borkes heeft met deze bundel een mooie kroon op haar werk gezet, daar kunnen in de toekomst alleen maar diamantjes op worden weggezet.

Om met een “oude” te eindigen:

 

de gewoonste dingen

blijven hangen doe

jij het licht uit of

zal ik het doen

 

Justine Borkes, thuis. Uitgeverij IJzer, Utrecht 2019

 

 

De dichter als dichter

Een nieuwe sleutel tot de poëzie?

bespreking van Herman Simissen 

 

Paul Celan (1920-1970, pseudoniem van Paul Antschel) wordt in overzichten van de Duitse literatuurgeschiedenis gewoonlijk gekarakteriseerd als een van de meest belangrijke naoorlogse dichters in de Duitse taal. Uit Duits sprekende joodse ouders geboren in Czernowitz, destijds de hoofdstad van de Roemeense regio Boekovina, nu behorend tot Oekraïne, vestigde hij zich – als enige overlevende van de Endlösung der Judenfrage in zijn familie – na de Tweede Wereldoorlog in Parijs. In bundels als Der Sand aus den Urnen (1948), vanwege de talloze drukfouten in de uitgave overigens door de dichter teruggetrokken, en Mohn und Gedächtnis (1952) getuigde hij van zijn ervaringen. Het gedicht waarmee hij debuteerde, ‘Todesfuge’ (1948), met de beroemde zinsnede ‘der Tod ist ein Meister aus Deutschland’, is vermoedelijk zijn meest bekende gebleven. Het beschrijft, niet rechtstreeks maar door associaties op te roepen door middel van beelden en herhalingen, de vernietiging van de Europese joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Juist vanwege de overweldigende weerklank op ‘Todesfuge’ werd en wordt de poëzie van Paul Celan overwegend gelezen in het licht van de Jodenvervolging.

            Celan geldt niet alleen als een bijzonder belangrijke, maar evenzeer als een buitengewoon moeilijke dichter – en de ontoegankelijkheid van zijn werk is, in de ogen van de literaire kritiek, vanaf de bundel Sprachgitter (1959) enkel nog toegenomen. Om deze reden worden zijn gedichten vaak aangeduid als ‘hermetisch’, waarmee, aldus de Nederlandse germanist Paul Sars, wordt gedoeld ‘op het cryptische, esoterische karakter van Celans verzen, op de duistere metaforen die een eigenzinnige logica lijken te volgen’.[1] Bovendien, zo merkt Sars op, bevatten ‘zijn gedichten […] talloze magisch ogende neologismen en chiffren, en ontlenen [zij] metaforen aan de voorstellingswereld van de Kaballa, de Gnosis en de Talmoed’.[2] Sars vat de gevestigde visie op de poëzie van Celan als volgt samen:

 

Bij een vluchtige kennismaking met Celans poëzie wordt al duidelijk dat de gedichten niet beantwoorden aan de gangbare opvatting van poëzie, dat ze ongewoon zijn vergeleken met 'traditionele' poëzie. De gedichten vertonen geen eindrijm, geen regelmatig metrum, en zijn niet gelijkmatig in strofen ingedeeld. De syntactische structuren zijn gecompliceerd, de beelden op het eerste gezicht cryptisch en meerduidig. […] Wanneer bovendien nog bepaalde termen en voorstellingen ontleend blijken te zijn aan mystieke teksten of alchemistische formules, mogen dergelijke gedichten terecht 'hermetische poëzie' worden genoemd.[3]

 

Juist ook vanwege de uitzonderlijke moeilijkheidsgraad van zijn poëzie is het werk van Celan een geliefd object van onderzoek geworden – een Steen van Rosetta in de dichtkunst, die onderzoekers met uiteenlopende achtergronden, invalshoeken en benaderingen – literatuurwetenschappers zo goed als filosofen – probeerden en proberen te ontcijferen.

            Onder hen was bijvoorbeeld de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002), die in 1973 het boekje Wer bin ich und wer bist du? (een vermeerderde heruitgave verscheen in 1986) wijdde aan de cyclus ‘Atemkristall’ uit de bundel Atemwende (1967). Gadamer had in binnen- en buitenland grote naam gemaakt met Wahrheit und Methode (1960), zijn magnum opus, waarin hij – in aansluiting bij het werk van zijn leermeester Martin Heidegger (1889-1976) – het fenomeen ‘interpretatie’ aan een nauwkeurig onderzoek onderwierp. Heidegger had de idee naar voren gebracht, dat ‘interpreteren’ als een centrale categorie in het menselijk bestaan moet worden beschouwd: ieder mens interpreteert immers voortdurend. De wereld waarin de mens leeft kan namelijk niet als een gegeven worden beschouwd, maar is iets wat de mens zelf, door en in zijn interpretaties, maakt. En zo doende maakt hij tegelijkertijd ook zichzelf. Deze ideeën van Heidegger hadden grote invloed op Gadamer: net als Heidegger gaat het Gadamer in Wahrheit und Methode uiteindelijk om de betekenis van het interpreteren voor het menselijk bestaan. De vraag die centraal staat in dit boek is daarom die naar wat er gebeurt wanneer er, heel in het algemeen, wordt geïnterpreteerd, wanneer er iets wordt begrepen. Wat houdt interpretatie nu eigenlijk in?

Maar al vertoont Gadamer wat zijn vraagstelling betreft sterke overeenkomsten met Heidegger, in één opzicht zoekt hij nadrukkelijker aansluiting bij de oudere traditie waarin ‘interpretatie’ vooral in verband werd gebracht met het begrijpen van teksten. Het interpreteren van teksten speelt in het werk van Gadamer dan ook weer een meer centrale rol. Geschreven taal heeft als het ware een ‘voorrangspositie’ in zijn boek, omdat iets wat is geschreven, juist omdat het is vastgelegd, vraagt om interpretatie. Nu kan volgens Gadamer onderscheid worden gemaakt tussen twee, aan elkaar tegengestelde (en onverenigbare) houdingen die een interpreet kan aannemen tegenover een te interpreteren tekst. Enerzijds is dat de 'methodische houding', gericht op objectivering en het verklaren door middel van bijvoorbeeld de analyse van de struc­turen van de te interpreteren tekst; en anderzijds de op waarheid gerichte hou­ding, die streeft naar het begrijpen van de tekst. Hij verkiest de tweede, op waarheid gerichte houding: juist omdat zij objectiveert kan de methodische houding volgens Gadamer uiteindelijk niet tot begrip komen. Wie een tekst wil begrijpen in de aanspraak die deze tekst maakt op waarheid, kan dus geen methode volgen: hij of zij moet, met alle mogelijke middelen die daarbij ter beschikking staan, proberen de tekst te begrijpen – door de tekst steeds opnieuw te lezen, door de details vanuit het geheel te verklaren en omgekeerd het geheel vanuit de details, en met grote aandacht en vasthoudendheid te blijven proberen vat op de tekst te krijgen. Die benadering is wel gericht op, maar leidt niet tot waarheid: iedere interpretatie is niet meer dan een ‘interim rapport’, dat misschien nieuwe gezichtspunten biedt, maar nooit het laatste woord kan zijn omdat het altijd weer voor verbetering vatbaar is.[4]

            Had Gadamer zo in Wahrheit und Methode geprobeerd uiteen te zetten wat interpretatie inhoudt, in de jaren na het verschijnen van dit boek publiceerde hij tal van essays en studies over uiteenlopende teksten waarin hij zijn ideeën over interpretatie in praktijk probeerde te brengen, en tegelijk op hun houdbaarheid te toetsen. Zijn Wer bin ich und wer bist du? is een voorbeeld van een dergelijke proeve van vruchtbaarheid en houdbaarheid van zijn opvattingen: kan hij vanuit dit denkraam grip krijgen op de hermetische poëzie van Paul Celan? Zoals al uit de titel blijkt, plaatste het werk van Celan Gadamer voor de nodige moeilijkheden. In de geanalyseerde cyclus is veelvuldig sprake van een ‘ich’ en een ‘du’ – maar Gadamer blijft worstelen met de vraag wie wordt bedoeld met deze ‘ik’, en wie met deze ‘du’.

            Het werk van Gadamer nu was een belangrijke bron van inspiratie voor de Nederlandse letterkundige en filosofe Justine Borkes, die op haar beurt een studie, Over de dichter als dichter, heeft geschreven, waarin zij zich onder meer waagt aan een interpretatie van ‘Atemkristall’ van Paul Celan. Zij meent zelfs een nieuwe sleutel tot dit gedicht te hebben gevonden: het betreft hier poëticale poëzie, ofwel een gedicht waarin de dichter zich uitspreekt over de dichtkunst als zodanig. De betekenis van het werk van Gadamer voor de studie van Borkes is ambivalent: zij volgt zijn benadering, in die zin dat zij zich niet gebonden voelt aan methodische regels die in de literatuurwetenschap toch geenszins ongebruikelijk zijn, maar net als Gadamer alle mogelijke middelen inzet om tot begrip van de door haar gelezen gedichten te komen. Met andere woorden: zij ziet in het werk van Gadamer een vrijbrief om al doende een interpretatie van een gedicht te ontwikkelen, die tevens ook een reflectie op die interpretatie is, zonder zich daarbij te laten weerhouden door wetenschappelijke conventies of pretenties. Maar anderzijds zet zij zich in soms krachtige bewoordingen af tegen de interpretatie die Gadamer in Wer bin ich und wer bist du? ontwikkelt van ‘Atemkristall’. Gadamer onderkent niet dat dit gedicht van Celan bij uitstek poëticale poëzie is, en slaagt er, aldus Borkes, juist daarom niet in ‘Atemkristall’ te doorgronden.

            In het eerste deel van haar boek introduceert Borkes – overigens zelf auteur van verschillende dichtbundels – de idee van ‘de dichter als dichter’: de dichter die zich in een gedicht uitspreekt over de dichtkunst, ofwel een dichter die zijn poëtica in zijn poëzie tot uitdrukking brengt. Deze idee biedt, zo stelt zij, nieuwe mogelijkheden bij het interpreteren van gedichten, met name dan wanneer het poëticale karakter van de betreffende gedichten niet eerder was herkend. Voordat zij zich richt op een interpretatie van ‘Atemkristall’, probeert zij aan de hand van een analyse van poëticale gedichten van vier vooraanstaande Nederlandstalige dichters – Paul van Ostaijen, Herman Gorter, Martinus Nijhoff en Vasalis – het belang en ook de vruchtbaarheid van deze idee te laten zien. Dit levert interessante interpretaties op; met name haar commentaar op het vaak toch als raadselachtig beschouwde gedicht ‘Awater’ van Nijhoff is verhelderend. Borkes ontwikkelt haar interpretatie door voortdurend een dialoog aan te gaan met anderen die interpretaties van de door haar geanalyseerde gedichten hebben gepubliceerd. Daarbij gaat zij een polariserende, zelfs polemische toon niet uit de weg. Zo toont zij zich, en met recht, uiterst kritisch over bijvoorbeeld de interpretatie die de neerlandica Maaike Meijer in haar toch veelgeprezen dissertatie De lust tot lezen (1988) heeft gegeven van de poëzie van Vasalis. Meijer heeft, aldus Borkes, het poëticale karakter van de gedichten van Vasalis niet onderkend, met als gevolg dat zij die gedichten niet alleen niet goed begrijpt, maar bovendien niet op waarde weet te schatten.

            Vervolgens richt Borkes dan de aandacht op Celan, waarbij zij opnieuw in dialoog gaat met auteurs die interpretaties van zijn ‘Atemkristall’ hebben gepubliceerd, en dan met name met Hans-Georg Gadamer. Borkes leest ‘Atemkristall’, anders dan Gadamer, als poëticale poëzie, en die benadering biedt de oplossing voor het probleem waarmee de Duitse filosoof zo worstelde: wie is de ‘ik’ in deze cyclus, en wie de ‘jij’? Volgens Borkes moet deze cyclus worden begrepen als een tweespraak van het individu Paul Celan (de privépersoon) met de auteur Paul Celan (de publieke persoon van de dichter). Analoog aan de wijze waarop filosofie wel wordt omschreven als een dialoog van de ziel met zichzelf, is ‘Atemkristall’ een dialoog van de dichter met zichzelf, een dialoog over het dichterschap tussen het individu Paul Celan en de dichter Paul Celan. Zo gelezen is ‘Atemkristall’ glashelder, stelt Borkes – een conclusie die wellicht wat al te uitgesproken is, maar dat zij een nieuw licht werpt op dit gedicht staat buiten kijf.

            In haar boek karakteriseert Borkes haar benadering als work-in-progress: haar invalshoek is nog niet volledig uitgekristalliseerd, verfijning en nadere onderbouwing zijn nog mogelijk. Maar ook anderszins draagt Over de dichter als dichter enigszins de sporen van work-in-progress: met name het eerste deel van haar boek bevat onnodige herhalingen, terwijl de verwijzingen niet steeds duidelijk zijn. Een ander punt van kritiek is de gebruikte terminologie: Borkes spreekt steeds over de ‘methode’ van Gadamer, waar deze juist ontkent dat zijn manier van interpreteren methodisch is. Zij volgt weliswaar zijn invalshoek – de lezer mag, nee: dient alles in het werk te stellen om een tekst te begrijpen, en hoeft zich daarbij niets aan wetenschappelijke conventies gelegen te laten liggen –, maar precies daarom is deze terminologie enigermate misleidend. Dit neemt echter niet weg, dat de manier van lezen van poëticale poëzie die Borkes in dit boek laat zien ten minste zeer interessant is, en benieuwd maakt naar het vervolg dat zij aan dit boek wil geven.  

      

Herman Simissen     

 

Justine Borkes, Over de dichter als dichter. Een hermeneutische benadering, Uitgeverij Statief, Utrecht 2012, ISBN 978 90 801567 0 8, 285 blz., € 19,90

 


[1] Paul Sars, ‘De esthetica van het hermetisme. Over de poëzie van Paul Celan’, in: H. Ester en W. de Moor (red.), Een halve eeuw geleden. De verwerking van de Tweede Wereldoorlog in de literatuur (Kampen: Kok Agora 1994), blz. 117 – 132, aldaar blz. 117.

[2] A.w., blz. 123.

[3] T.a.p..

[4] Met andere woorden: Gadamer ontkent in zijn boek dat interpretatie volgens een vaste methode kan worden voltrokken, en dat interpretaties ‘waar’ kunnen zijn. Om deze reden wordt onder filosofen wel de grap gemaakt, dat hij zijn boek beter Keine Wahrheit und keine Methode had kunnen noemen.

 

Uit: STREVEN juli-augustus 2014 

WAARHEID EN METHODE

 

De Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002) geldt, samen met de Fransman Paul Ricoeur (1913-2005), als degene die in de tweede helft van de twintigste eeuw nieuwe impulsen heeft gegeven aan de zogeheten hermeneutische traditie in de filosofie. Hoewel hij veel meer heeft geschreven, geldt Wahrheit und Methode (1960) zonder meer als het magnum opus van Gadamer: het boek waarmee hij ook internationaal grote bekendheid kreeg, en dat in tal van vertalingen is verschenen.

De inzet van dit boek is tweeledig: enerzijds stelt Gadamer de vraag, wat, heel in het algemeen, het verschijnsel 'interpretatie' als een wezenlijke categorie van het menselijk bestaan inhoudt; en anderzijds hoe interpretatie de grondslag van de cultuurwetenschappen kan zijn. Sluit de eerste vraag vooral aan op het werk van zijn leermeester, Martin Heidegger (1889-1976), de tweede knoopt veeleer aan bij dat van Wilhelm Dilthey (1833-1911), die immers het eigen karakter van de geschiedschrijving en meer in het algemeen van de cultuurwetenschappen - als tegengesteld aan de natuurwetenschappen -, tot een belangrijk thema van zijn filosofie had gemaakt.

Gadamer kwam in Wahrheit und Methode tot het inzicht dat het proces van interpretatie weliswaar idealiter altijd is gericht op waarheid, maar die waarheid niet kan bereiken: interpretaties zijn nooit 'waar, maar altijd weer open voor discussie en verbetering, en hebben daarmee per definitie een voorlopig karakter. Bovendien kan het interpreteren volgens Gadamer niet worden gefixeerd in een methode; precies hierin verschillen volgens hem de cultuurwetenschappen van de natuurwetenschappen. Juist dit zag Paul Ricoeur overigens anders: Ricoeur benadrukte dat, wil het interpreteren een plaats krijgen binnen de cultuurwetenschappen, wel degelijk ook aandacht moet worden besteed aan het vastleggen van een methode, om tot intersubjectieve resultaten te kunnen komen.

Sommige noties uit Wahrheit und Methode hebben in de filosofische wereld grote bekendheid gekregen. Het meest bekende voorbeeld is de term ' horizonversmelting', een metafoor met behulp waarvan Gadamer een oplossing voorstelt voor een probleem dat iedere cultuurwetenschapper bekend za! Zijn, Cultuuruitingen - van welke aard ook - zijn ontwikkeld in een bepaalde historische (culturele, maatschappelijke, enzovoort) context; degenen die deze uitingen bestudeert bevindt zich doorgaans in een andere historische context. Gadamer duidt de historische context aan met het begrip 'horizon' en stelt dan dat, wil een cultuurwetenschapper een cultuuruiting uit het verleden begrijpen, er een 'versmelting' moet plaatsvinden tussen de 'horizon' van de cultuuruiting en die van de cultuurwetenschapper. Dergelijk poëtisch taalgebruik kenmerkt zijn stijl van schrijven, maar draagt niet altijd bij aan de helderheid van zijn betoog – ook in het geval van dit voorbeeld niet, want wat men zich precies moet voorstellen bij 'versmeltende horizonnen' blijft raadselachtig. Dat op een of andere manier moet worden omgegaan met het probleem van verschillen in historische context, spreekt daarentegen voor iedere cultuurwetenschapper voor zich.

Juist dit niet altijd heldere taalgebruik van Gadamer maakt het soms lastig zijn werk te vertalen. Een ander vertaalprobleem betreft de notie 'Verstehen', een centraal begrip in het boek en in de traditie van de hermeneutiek. In een voetnoot (blz. 9) verantwoordt de vertaler zijn keuze om dit soms met 'verstaan', maar soms ook met 'begrijpen' te vertalen - 'verstaan' blijft dichter bij het origineel, 'begrijpen' is meer gangbaar Nederlands. Dit is een goede oplossing, en meer in het algemeen valt het zeer te prijzen dat Wahrheit und Methode nu, ruim een halve eeuw na verschijnen, in een goede en betrouwbare Nederlandse vertaling is uitgekomen.

Herman Simissen 

Hans-Georg Gadamer, Waarheid en Methode. Hoofdlijnen van eenfilosofische hermeneutiek, vertaling Mark Wildschut, Vantili, Nijmegen, 2014, 518 blz. € 34,50.

ISBN 978-94-6004-164-8.

Nijmegen 3 september 2013:

Over de dichter als dichter, een hermeneutische benadering

I. Gevraagd om een korte recensie besluit ik een lange recensie te schrijven, een recensie in delen. Dat houdt mij scherp en biedt de lezer telkens nieuwe kansen om uit te varen tegen de beoordelaar, om hem lof toe te zwaaien, om hem terzijde te stellen, af te danken.

Net als Justine begin ik met een aanloop als moet er een Olympisch record gevestigd worden. De afzet: 'de dichter als dichter'  filosofisch en literair benaderd. 

Het doet me onmiddellijk denken dat deze twee invalshoeken  recht wordt gedaan als Achterberg zich schrijft in 'De dichter is een koe' en hij haar vervolgens in allerlei standjes haar bestaan als dichter laat overwegen. Eenzelfde 'Natureingang' treffen we reeds aan bij Van Eedens waterlelie, die peinzend rust op 't watervlak en niet meer wenst. Onmiskenbaar de dichter als dichter, als dichter van het poëticale gedicht.

(wordt vervolgd) Stan Hollaardt

Nijmegen 4 september 2013:

II. De transcendentie van de poëzie is haar wezenskenmerk, tegelijk criterium om kaf van het koren te scheiden. Rationeel te benaderen, naderbij, in de buurt te komen; maar ook niet meer dan dat. Want het begint allemaal met: gnoti seauton. Dat is de levensbron waaruit ook de poëzie ontstaat en vervolgens geconsumeerd wordt.

Voor belijders werd in de oude Kerk gezongen: Iustus ut palma. Schepper en onderzoeker Borkes geldt dit evenzeer: Justine ut palma florebit.

(wordt vervolgd) Stan Hollaardt

Nijmegen 7 september 2013:

III. De dichter als criticus en de criticus als dichter bereiken uiteindelijk een staat van volmaaktheid als het voorliggende gedicht de interpretatie niet meer behoeft, maar opgaat in de geestelijke ervaring. De ratio speelt daarin slechts zijdelings een rol. Zo geraakt de dichter als dichter nog het dichtst in de nabijheid van het onbewuste. Speelt de vraag: neemt de vrouw in dezen een bevoorrechte positie in?

(wordt vervolgd) Stan Hollaardt
 

De Gelderlander 22 maart 2000

 

Voedsel voor de ziel, geen broodwinning

 

Justine Borkes is gefascineerd door de kracht en geheimzinnigheid van woorden. Woorden vormen gedichten, deze vormen bundels, die ze in eigen beheer uitgeeft.

 

Door onze verslaggeefster

NIJMEGEN - Zes kleine boekjes worden netjes bij elkaar gehouden in een kartonnen omhulsel. 'Bindingen' staat op de zijkant van het omhulsel. De bundels zijn gevuld met korte gedichten - 'voedsel voor de ziel' - van de Nijmeegse Justine Borkes.

Borkes heeft de bundels, in samenwerking met boekwinkel De Feeks, in eigen beheer uitgegeven. Ze is een van de dichters waarvoor stichting Weerwoord en stichting Dunya aandacht vragen met de organisatie van de Alternatieve Boekenweek. Die staat in het teken van het uitgeven van dichtbundels in eigen beheer.

Borkes publiceerde haar eerste bundel 'Liefde kan samen gaan' in 1978 bij De Feeks, die toen naast boekhandel ook uitgever was. Nadat de oplage van 500 in een halfjaar was uitverkocht, besloot ze er zelf bij te laten drukken. In totaal verkocht ze er 5000. "Het is een grote pré van het werken in eigen beheer; je kunt je bundels in leven houden", vertelt de dichteres. Alle zes de bundels blijven verkrijgbaar, als de voorraad op is, laat ze er bijdrukken.

Een ander voordeel is dat ze zelf kan bepalen wanneer ze gedichten schrijft. "Het is afschrikwekkend. Sommige dichters geven een prachtbundel uit. De tweede moet van de uitgever binnen een jaar in de winkel liggen en wordt door die tijdsdruk verschrikkelijk.

'Raar mechanisme: niet uitgegeven wil zeggen niet goed'

Volgens Borkes kun je niet op commando een gedicht schrijven. "Je gaat er niet voor zitten, het overkomt je. Je hebt een bijzondere ervaring, inspiratie; vandaar uit ontstaat een gedicht. Zonder inspiratie is het een rijmpje. Dat kan ook leuk zijn, maar het is heél iets anders." Ze wil daarom ook niet van haar gedichten leven. "Op het moment dat het broodwinning is, ben ik verplicht te schrijven." Het is volgens haar het kernpunt van de moderne poëzie: de dichter is een instrument. "Ik denk dat in iedereen inspiratie klinkt, alleen luistert niet iedereen ernaar." Vandaar ook dat Borkes het naar voren brengen van de persoon-achter-de-bundel door uitgevers verafschuwt. "Een goede bundel overstijgt het persoonlijk leven, dus de dichter hoeft helemaal niet, op tournee. Het is niet zo dat ik iets kán, het overkomt mij." Hoewel Borkes geniet van de voordelen van het uitgeven in eigen beheer, het is voor haar geen keuze. Als een uitgever haar bundels zou willen publiceren, geeft ze het werk graag uit handen. "Het is zoveel werk. Ik kan voor de bundels niet de aandacht verzorgen die ze verdienen." Ze valt buiten de financiële regelingen, zit niet in een circuit van dichters die gevraagd worden op dichtdagen. Ze valt buiten het computersysteem van de boekhandels. Ze wordt zelfs vrijwel nooit gerecenseerd. "Het is een verneukeratief mechanisme: het is niet uitgegeven, dus het zal wel niet goed zijn. Terwijl uitgevers zelf schrijven dat de keuze erg selectief is." De oplagecijfers (eerste bundel 5000, andere vijf 2500) geven haar populariteit aan. Maar nu Borkes zich heeft bewezen. willen uitgevers niet met haar in zee omdat ze geen debutant meer is. "Het is moeilijk." Maar de liefde voor de letters blijft. Zoals ze zelf schrijft: 'Ik sta weer in mijn boekenkast mijn handen, - open naar de letters - vol schoonheid die - woorden werden en zinnen - die mij verder brachten - dan ik ooit had kunnen dromen'.

 

Nijmeegse stadskrant maart 1990

DE FACETTENPOËZIE VAN JUSTINE BORKES

door carola schoor

Bestaan ze nog? De dichters die dichten omdat ze niet anders kunnen. Die altijd met een blocnote op zak lopen, voor het geval ze ineens een goede inval hebben. Geen maximaal gebral of wild geschreeuw, maar gewoon schrijven en in eigen beheer uitgeven. Justine Borkes is zo'n dichter. Onlangs gaf ze in samenwerking met Vrouwenboekhandel De Feeks haar vierde bundel 'Over Leven' uit. ....Zo begint het verslag van het interview. Voor het volledige artikel zie

 

               foto Ineke Duursema 1990

Recensie van Wam de Moor in 'De Gelderlander' van 6-10-2000


Ik weet niet hoe u leest. Of u zuinig bent op een boek, nooit het potlood grijpt, nooit een hoekje van, een bladzij ontvouwt en het boek het boek laat. Maar voor mij zijn er twee soorten boeken. Het heel mooi uitgegeven boek wordt bijna in het cellofaan gelaten, met gewassen handen en uitgewreven oogjes gelezen en gekoesterd weggezet op een aparte plank in de kast. De gewoon uitgege­ven boeken zijn er allemaal voor het gebruik. Hoekjes om, een rouwprentje erin voor waar ik gebleven ben (want m'n missaal is weg), aantekeningen in de marge.

Zo'n verschil als tussen hoeken is er ook tussen de makers ervan. En beperk ik mij tot de dichters dan zijn er vele wier gesloten wereld ik probeer binnen te komen door aandachtig lezen en herlezen, en waarvan ik de waarde vooral zie in het heel eigene en bijzondere van hun wereld, de elegantie of weerbarstigheid van de taal, de grootsheid van hun ideeën. Dat geldt voor de meeste moderne dichters. De beste van hen zetten hun hele leven in voor hun werk- Eybers, Herzberg, Faverey, Kopland bijvoorbeeld. En dan zijn er degenen die dichten in de marge van hun bestaan. Bekommerd om de wereld, maken zij tussendoor notities, die soms poëtisch uitvallen, soms niet veel meer zijn dan de wijsheid van een kalenderspreuk. Nu zijn die spreuken dikwijls wel door het dichtervolk verguisd, maar dan vergeten we tóch dat voor heel veel mensen een, korte krachtige uitspraak over het leven. is als een stapsteen in de vijver van het bestaan. Wat zegt eigenlijk de vrouw die dicht:

 

je was al zo zwanger,

je eigen leven

kon je nog

nauwelijks dragen

 

Ik denk: bij alles -wat je - ik? - al te torsen had kwam er ook nog eens die zwangerschap bij. Jij liever dan ik. Zoiets zeg je niet tegen iemand, maar we denken het wel, als 't zo uitkomt. Of dit:

 

in geluid zit

traagheid

het is altijd later

geluid is waarheid

aan je stem hoor ik of ik bij je hoor

 

Ik merk dat mijn oog blijft haken aan de laatste twee regels, terwijl toch ook de eerste drie regeltjes iets vertellen over secundair reageren. Maar de emotie komt pas los in die twee laatste regels en geeft mij een kijkje in iemands leven, misschien wel zijn liefdesleven. En waarom mensen, van elkaar houden, zegt dit:

 

de welving van je haar

één enkel van je gebaren

en ik ben weer

vreemd gegrepen

 

Uitleg overbodig.

Het zijn allemaal teksten van de Nijmeegse neerlandica, filosofe en dichteres Justine Borkes. Ze zijn uit een boekje van meer dan twintig jaar geleden,

Liefde kan samengaan, waarvoor Borkes onderdak vond bij Vrouwenboekhandel De Feeks, thans aan de Van Welderenstraat in Nijmegen. Sindsdien verschenen er meer van deze bekoorlijke, kleine boekjes, ogenschijnlijk pretentieloos, maar Borkes weet heel goed wat ze wil en vooral wat ze nodig heeft. Het zijn stukjes die komen aangewaaid, overdag en 's nachts. Je ziet de dichteres voor je: altijd een blocnootje met potlood bij de hand. Kanttekeningen zijn het in de marge van het bestaan. Ze zijn zonder titel, ze vallen per bundeltje onder een thema. Na dat eerste uit 1978 kwamen met tussenpozen van enkele jaren vijf andere:

Grenzen, Tijd verhalen. Over leven,' Bindingen en Wissels, allemaal titels die vaag genoeg zijn om er elke gedachte onder te schuiven, maar die tegelijkertijd innerlijk samenhangen met de fase waarin Borkes' eigen, leven - dat ik verder niet ken - zich ontwikkelt. Dat ze ouder wordt zegt ze in het enige gedichtje met een titel, groepsportret

 

wij zijn nooit meer samen

altijd alleen in het

gemis van die ene

die achterbleef

 

Zulke teksten steunen op de precieze woordkeus, maar tevens op het gelijk van de herkenbaarheid. Ja, dat ken ik ook, Justine! denkt de lezer of lezers. Zoals zij of hij ook met de dichteres de gedachte deelt dat met het verslijten van lichaam en geest relaties niet meer zijn wat ze waren, want:

een koude wind

blies ons ieder

naar een ander

huis

En daar zitten we dan. In de kou, want niemand is er om onze kachel aan te maken. En de oorzaak?: 

 

we verloren onze bedding

waardoor

we stroomden.

 

Of deze, die je zoveel diepte kunt geven als je zelf wilt, uit Wissels.

ze vernielden het

nest maar de vogel

is verder gevlogen

Van dit soort wijsheid zitten oudere mensen boordevol. Ze weten dat vaak niet. Dichters als Borkes maken ons daarvan bewust. En dat is, bij de heel bescheiden toon die deze ge­dichtjes hebben, met hun geur van haiku, geen geringe verdienste. Borkes schoof onlangs haar zes boekjes in één cassette. Het is een mooi geschenk voor wie ervan houdt heel even aangeraakt te worden, bijvoorbeeld bij het wakker worden, of het voortijdig dommelen. Waar te krijgen? Bij De Feeks en, op aanvraag, bij elke boekhandel.